Verhalen

Een bijzondere gave…

In het winkelcentrum kwam ik een moeder en haar zoon tegen. De moeder was al behoorlijk op leeftijd. De zoon stond een stukje verderop en verdiepte zich in de etalage van een speelgoedzaak. Ik had hen vaker op enige afstand zien lopen maar nog nooit een woord met hen gewisseld.

Nu liep de moeder mij tegemoet. “Mag ik u even spreken?,” vroeg ze. Zij was een dame met een verzorgd voorkomen en haar stem klonk beschaafd. “Mijn zoon wil u graag iets zeggen. Zijn boodschap luidt dat u zich geen zorgen hoeft te maken. Alles komt goed.”

Ik keek haar verbaasd aan. “Alles komt goed.” Het klonk als geschenk uit de hemel. Ik tobde inderdaad over iets dat er als een gezwel uitzag en dat me behoorlijk bezighield. Was het kwaadaardig? Scans en foto’s hadden nog geen uitsluitsel gegeven. Omdat je al gauw geneigd bent het ergste te denken, liep ik rond met beklemmende gedachten over mijn tijdelijkheid op aarde. Maar ik deed ook mijn best mijn zorgen te verhullen. Hoe minder je aan een ziekte toegeeft, hoe minder je eronder lijdt en hoe minder ontvankelijk je jezelf voor die ziekte maakt. Dat is mijn overtuiging. Daarom liep ik kwiek en met opgewekt gezicht door het winkelcentrum. De zoon van deze vrouw had daar echter doorheen gekeken en zijn gevoel laten meespreken. Wie was haar zoon?

De vrouw en ik gingen op een bankje zitten dat voor de ingang van het winkelcentrum stond.

“Mathieu heeft soms dergelijke inzichten,” zei ze. “Een voorspellende gave, noem ik het. Hij kan niet zo goed uitleggen wat hij ziet. Daarom vraagt hij mij om dat te doen.”

Ik knikte. Ik wist iets van spiritualiteit. Genoeg om aan spontane inzichten veel waarde toe te kennen.

“Mathieu sluit zich af van de meeste mensen. Alleen als hij zeker van zijn zaak is, komt hij naar mij en vraagt mij om iemand iets te zeggen waar deze misschien iets aan heeft. Zoals nu. Daar komt hij net aan.”

Haar zoon liep in een wat wiebelende pas. Het was een man van tegen de veertig. Tamelijk gedrongen en onopvallend gekleed. Het meest bijzondere aan hem was zijn gezicht. Dat vertoonde achter een vage glimlach de onmiskenbare trekken van Downsyndroom.

Mathieu ging naast zijn moeder zitten. Praten kostte hem moeite. Ik kon zijn woorden amper verstaan maar zijn moeder begreep hem. Hij keek mij of zijn moeder niet aan en lette evenmin op voorbijgangers. Zijn ogen dwaalden rusteloos over de grond voor zijn voeten. Het leek alsof hij de wereld om zich heen van binnenuit beleefde. Geen wonder, dacht ik. Alleen zo’n gevoelsmatige benadering stelt hem in staat tot waarnemingen zoals hij bij mij had gedaan. Maar zouden ze juist zijn?

Een paar dagen later kreeg ik uit het ziekenhuis een verlossend telefoontje. Niets aan de hand. Een simpele kuur en mijn kwaal zou over zijn. Na de eerste euforische opluchting herinnerde ik mij de voorspelling van Mathieu. Die was uitgekomen.

Hoe is het mogelijk, vroeg ik mij af, dat iemand met Downsyndroom de mensen om zich heen zo goed doorheeft en bovendien aanvoelt hoe hun toekomst eruit ziet?

Mevrouw MH, E-L.